Zoals bij de meeste van u wel bekend is wordt er van mensen met Hydrocephalus vaak gezegd dat er een verschil bestaat tussen het verbale (wat iemand zegt) en het performale (wat iemand doet) niveau. Nu lijkt dit gedrag vreemd genoeg veel op “onderpresteren” bij (hoog)begaafde kinderen. Vandaar dat hieronder een artikeltje is opgenomen over onderpresteren, waarbij we hopen dat de tips die hierbij worden gegeven ook voor u / uw kind positief kunnen werken. We realiseren ons dat een en ander niet volledig overeenkomt, maar de gelijkenissen zijn vaak zo treffend dat we u deze informatie toch niet graag wilden onthouden!
De verbaal/performaal-kloof.
Een kloof tussen denken en doen, leidt tot bepaalde gedragskenmerken. Om te helpen omgaan met de kloof zijn er een aantal adviezen voor school en een strategie om de gevaren te vermijden.
Kloof
In de vakliteratuur spreekt men van "discrepantie tussen verbale en performale vaardigheden", wij houden het op de "verbaal / performaal - kloof".
Onder verbaal verstaan we het omgaan met taal, zowel qua betekenis als qua structuur. Performaal betreft het uitvoeren van taken en het handelend oplossen van problemen.
Gedragskenmerken
De gedragingen van een kind met een verbaal / performaal - kloof vertonen een bepaald patroon dat voor menigeen herkenbaar zal zijn, en die verwant zijn aan de al hiervoor vermelde kenmerken. De volgende gedragskenmerken worden vaak gesignaleerd bij kinderen met een v/p - kloof:
1.Problemen met routinetaken. Elke dag moet het kind eraan herinnerd worden dat hij z'n tanden moet poetsen en z'n kleren aandoen.
2.Vaak verstrooid, vergeetachtig. Het kind wordt naar boven gestuurd om iets op te halen, maar weet als het boven is al niet meer wat het moest doen, of gaat daar een stripverhaal zitten lezen.
3.Chaotisch. Het kind laat overal rommel achter, is niet in staat zelf op te ruimen. Soms is er sprake van een leerproces: het kind weet dat het chaotisch is en wordt van de weeromstuit extreem rigide met structuur: het wordt superprecies.
4.Chronisch boos en/of verdrietig. Alles wat je doet, al het handelen valt tegen. Dit veroorzaakt een gevoel van machteloosheid, dat zich uit als boosheid.
5.Het kind kan niet omgaan met wisselende structuren. Symptoom: het kind is langzaam met rekenen. Moderne rekenmethodes bieden vaak op één pagina wel zes verschillende soorten sommen aan. Het kind moet dan voortdurend de zojuist gebruikte structuur loslaten en zich weer in een nieuwe structuur inleven. Dit is vreselijk tijdrovend. (In groep 3 zien we dan vaak dat de hele rij sommen als plus-sommen wordt uitgevoerd, omdat de eerste som een plus-som was.) Zo'n kind lijkt langzaam te zijn met rekenen. In werkelijkheid is het kind veel tijd kwijt aan het voortdurend wisselen van structuur.
6.Drempelvrees voor alles wat nieuw is. Het kind durft geen nieuwe situaties aan: voor 't eerst naar een club etc. Als de eerste stap eenmaal gezet is, komt het enthousiasme meestal wel. Vaak zijn deze kinderen ook angstig: gaan niet slapen zonder lampje op de kamer, op het toilet mag de deur niet dicht etc. Deze angsten kunnen leiden tot nachtmerries, uiteindelijk zelfs tot tics.
7.Laag zelfbeeld. Hoe ontstaat dit: je denkt iets uit, maar het resultaat valt altijd tegen. Je denkt dus dat je het niet kunt, voor je gevoel mislukt alles.
8.Blokkeren. Verrassende situaties kunnen ertoe leiden dat het kind blokkeert en apathisch wordt.
9.Visueel waarnemen. Veel kinderen met een v/p-kloof zijn 90 tot 95% visueel in hun wijze van opnemen en waarnemen.
Omgaan met de kloof
Een kind met een v/p-kloof heeft soms grote moeite om tekst die het hoort, om te zetten in handelingen. Omdat het kind na verbale, auditieve instructie nog geen idee heeft wat er van hem verwacht wordt, kijkt het rond om te zien wat de andere kinderen doen en gaat dan pas aan het werk. Ze hebben dus geen goede beeldvorming bij de tekst die ze aangeleverd krijgen.
Adviezen voor school / ouders
1.Bied structuur. Structuur in tijd: vanwege de eerdergenoemde angst voor het onbekende, kan de persoon onrustig worden als het niet weet wat er straks komt. Maak dus duidelijk waar ze nu mee bezig zijn én wat daarna komt. Structuur in werkvorm: zorg dat de werkvorm niet te vaak wisselt. Ideaal is: één werkvorm per werktijd. Structuur in inhoud: men gaat er ten onrechte van uit dat deze kinderen moeilijk leren. Niets is minder waar. Ze hebben een verticaal aanbod nodig, een heldere structuur; veel herhaling is niet nodig.
2.De leersituatie moet zoveel mogelijk visueel zijn. Bijvoorbeeld, het auditief leren van nieuwe woorden, waarbij het kind eerst het klankbeeld van een nieuwe woord opschrijft, kan averechts werken! Het verkeerd gespelde klankbeeld blijft hangen bij het kind.
3.Voordoen i.p.v. vertellen. We zijn gewend om uit te leggen wat er moet gebeuren en verwachten daarop reactie. Bij kinderen met een v/p-kloof moet je niet vertellen, maar voordoen. Één keer voordoen is meestal al genoeg.
4.Bied de stof redegevend aan. Geef aan waarom je iets doet en welk doel je wilt bereiken. Deze kinderen zijn associatief in het leren; je helpt hen als je duidelijk maakt waarom iets moet gebeuren.
5.Competentiebeleving. Dit is het belangrijkste advies: het kind moet competentie beleven, moet ervaren dat het iets kan. Het gaat daarbij om de zeer subjectieve beleving van het kind zelf. Meer zelfvertrouwen leidt tot een beter zelfbeeld. De bovenstaande vijf punten kunnen worden toegepast in onderwijs- en thuissituaties. Nu volgt nog een “gevaar”. Wees er alert op!
6.Perfectionisme. Wij drukken onze waardering uit in een schaal die gaat van ++ tot --. Een perfectionistisch kind kent alleen de schaal van - tot ----. Een compliment, op onze schaal +, komt dan overeen met -- bij het kind en wordt dus omgekeerd ervaren. Op een compliment reageert zo'n kind niet, of lauw, of afwijzend.
Afwijkend gedrag
Vaak is het gedrag van kinderen met een v/p-kloof moeilijk te plaatsen. We vinden het apart en ervaren het als storend. Onderdrukken we het afwijkend gedrag, dan ontkennen we daarmee de competentie van het kind. Gevolg: het afwijkend gedrag neemt alleen maar toe. Door de competentie een klein beetje te verhogen, verdwijnt het afwijkend gedrag vaak als sneeuw voor de zon. Hoe verhoog je de competentie? Bij een kind dat moeite heeft met routinetaken, helpt het enorm als een visuele structuur wordt aangeboden (takenlijst met plaatjes, wasknijper erop die bij elke voltooide taak een plekje opgeschoven kan worden).
Artikel afkomstig van: www.bosk.nl, juli 2007